HOE PAARDEN EEN EERDER GELEERDE VISUELE STIMULUS GEBRUIKEN BIJ EEN NIEUWE TAAK
Samenvatting door Sabine de Bekker
Visuele stimuli (prikkels) worden wereldwijd gebruikt bij onderzoek naar leervermogen van paarden en bij interacties tussen paarden en mensen. Na eerder onderzoek is het algemeen geaccepteerd dat paarden in staat zijn om onderscheid te maken tussen subtiele, visuele stimuli van verschillende aard (Popov, 1970; Rosenthal, 1965) en tussen grote aantallen gepaarde stimuli (Dixon, 1970; Voith, 1975). Het bleek dat paarden zich bij een visuele stimulus op dezelfde manier gedroegen als andere dieren (Dougherty and Lewis, 1991). Visuele stimuli zijn in eerder onderzoek gebruikt om te demonstreren dat een aantal paarden in staat is zich een voorstelling te vormen en daarmee problemen op te lossen (Sappington and Goldman, 1994; Hanggi, 1999). Bij al het eerdere onderzoek hadden de gebruikte stimuli dezelfde basiskarakteristieken.
Het vinden van een concept om problemen aan te pakken, zou wijzen op mogelijkheden tot het oplossen van vraagstukken bij nieuwe stimuli die dezelfde karakteristieken hebben als de eerder geleerde. De onderzoeker Flannery (1997) heeft gebruik gemaakt van visuele stimuli om te bewijzen dat paarden konden leren en onderscheiden op basis van gelijkheid. Het bleek dat paarden konden generaliseren in situaties, waarbij nieuwe stimuli aangeboden werden. Of paarden een geleerde stimulus konden toepassen bij het oplossen van een ander probleem, in een nieuwe, ongerelateerde situatie, was nog niet onderzocht. Om dit na te gaan werden bij dit onderzoek de aangeboden stimuli veranderd of anders aangeboden .
Voor dit onderzoek zijn vierenveertig paarden gepaard op basis van leeftijd, geslacht en ras. De paarden waren voornamelijk van het ras Quarter Horse en Volbloed, met een leeftijd van een tot achttien jaar. De paarden werden gehouden op grasland (grassoort Handjesgras of Cynodon dactylon), waar ze vrij toegang tot water en mineralen hadden. Pas na de dagelijkse training kregen de paarden hun
krachtvoer, zodat de paarden tijdens de training gemotiveerd waren om te werken voor een beloning. Tijdens het onderzoek werd namelijk gebruik gemaakt van beloningen in de vorm van voer. Met de twee paarden die een paar vormden, werd dadelijk na elkaar gewerkt om de verschillen die eventueel door tijdstip of invloeden van buitenaf zouden ontstaan, te minimaliseren.
VOORBEREIDENDE TRAINING
Er werden allereerst twee experimenten gedaan, waarvoor de paarden eerst werden getraind in twee verschillende stallen. Voor experiment I was er een trainingstal van 3,6 m. bij 3,6 m. De stal bevatte twee hefbomen en een voerbak precies daartussen in. De identieke hefbomen hadden een diameter van 2,5 cm. en waren 1,2 m. boven de vloer geplaatst, waarbij ze 30 cm. de stal in staken. De onderzoekers konden via de naastgelegen ruimte zien op welke hefboom het paard duwde en als gevolg daarvan voer in de voerbak liet storten als beloning voor het duwen van de juiste hefboom. De correcte hefboom was gemarkeerd door middel van een bord van 61 cm dat beschilderd was met zwarte en witte strepen. Het bord kon beurtelings van de ene naar de andere hefboom geschoven worden. De hefboom werd door middel van een gewicht weer terug gezet in de oude positie, nadat het dier de hefboom ingeduwd had.
Een begeleider zorgde ervoor dat het paard stapsgewijs de hefboom leerde bedienen, waarbij in eerste instantie reeds beloond werd als het paard een beweging in de richting van de hefboom maakte. Als het paard deze goed kon induwen, werd begonnen met het aanleren van de andere hefboom. Op het moment dat het paard de beide hefbomen goed kon bedienen, ging de begeleider de stal uit en werd het markeerbord geïntroduceerd. Er werd middels willekeurige selectie bepaald of het markeerbord bij de rechter of de linker hefboom geplaatst werd. De paarden werden getraind met dertig pogingen per dag, totdat ze voor 85% correcte keuzes maakten op drie dagen die niet opeenvolgend waren. Paarden die getraind werden bleven in de proefstal op het moment dat het markeerbord verschoven werd. De tijd die een paard nodig had voor dertig pogingen werd opgenomen. Als het getrainde paard klaar was, werd zijn partner in de proefstal gelaten voor dezelfde tijd, maar zonder beweging van het markeerbord en zonder voerbeloningen.
Voor het trainen voor experiment II werd dezelfde proefstal gebruikt als bij het trainen voor experiment I, alleen waren de hefbomen in het midden van een wand, recht tegenover elkaar, geplaatst. Op zes cm. afstand van een hefboom bevond zich een markeerpunt in de vorm van een witte of zwarte voeremmer, waarbij een witte voeremmer de juiste hefboom aangaf. Op het moment dat paarden de juiste hefboom indrukte, werd een beloning gegeven in de witte voeremmer. De witte emmer werd aan een willekeurig gekozen wand gehangen, maar nooit vaker dan vier keer achter elkaar aan dezelfde wand. Als het paard binnen kwam, werd het met de neus naar de wand met de deur geplaatst. Op deze manier bevond zich aan weerszijden van het paard een voeremmer. Het paard werd na een poging uit de proefstal gehaald en vervolgens werden de emmers opnieuw geplaatst. Pas daarna werd het paard weer in de proefstal gezet. Per dag werden er vijftien pogingen per paard getraind, totdat 85% van de paarden kozen voor de hefboom bij de witte voeremmer op verschillende, niet opeenvolgende dagen. De partner van het getrainde paard werd in een stal dichtbij de proefstal geplaatst.
HET ‘ECHTE’ ONDERZOEK
Nadat het gewenste trainingsresultaat was bereikt, begonnen de werkelijke experimenten. Voor experiment I werden zowel het getrainde paard als zijn partner getest in een Y-vormige stal. Na binnenkomst kon een paard er voor kiezen om links of rechts een pijp van 1,8 m. breed in te lopen. Op het moment dat de paarden moesten kiezen voor links of rechts, konden ze het einde van de pijp niet zien. Om te beginnen werden de paarden door beide pijpen heen geloodst en kregen ze aan het eind een beloning in de vorm van voer. Het markeerbord dat gebruikt was tijdens de training, werd nu opnieuw gebruikt om aan te geven welke pijp de goede was. Het markeerbord werd, random gekozen, op de hoek van een pijp gehangen, waar het paard in moest lopen om voer te krijgen. Elk paard, zowel het getrainde als zijn partner, kreeg dertig keer de kans gedurende vijf opeenvolgende dagen.
Met experiment II werd begonnen op het moment dat volgens de criteria voldoende paarden voor de juiste, witte emmer kozen tijdens de training. De proefstal voor experiment II had de vorm van een rechthoek, met op het eind een schot in het midden. Links en rechts ontstond er op deze manier ook een soort pijp, waar op het einde een witte of een zwarte voeremmer hing. Het paard kon de beide emmers zien, zodat het een pijp kon kiezen. De witte emmer werd random gekozen neergehangen, maar niet vier keer achter elkaar in dezelfde pijp. Per dag werd er vijftien keer een poging gedaan om voor de juiste pijp te kiezen. Voor elke nieuwe poging werd het paard eerst uit de proefstal gehaald en na het plaatsen van de emmers werd het paard weer opnieuw in de proefstal gezet. In de beide experimenten werden de twee paarden die partners waren direct na elkaar getest. Het aantal correcte keuzes door elk paard werd genoteerd en geanalyseerd door middel van de gepaarde t-test (statistiek methode).
RESULTATEN
Na het analyseren van de resultaten bleek dat zowel bij experiment I als bij experiment II geen statistisch te onderbouwen verschillen waren tussen het getrainde paard en zijn ongetrainde controle partner. Het gemiddelde van de correcte reacties op dag één van experiment I voor de getrainde paarden was 15,3 en voor de controle partners 16,8. Na vijf dagen was het gemiddelde van de correcte reacties van experiment I voor de getrainde paarden 84,0 en voor de controle partners 82,1. Het gemiddelde van de correcte reactie op dag één van experiment II voor de getrainde paarden was 6,9 en voor de controle partners 7,4. Na zeven dagen was het gemiddelde van de correcte reacties van experiment II voor de getrainde pa